Met onze massale aanwezigheid op sociale kanalen is een deel van onze cultuur met ons meegereisd naar het digitale. We maken ons niet alleen offline heel druk over dingen, maar doen dat ook online. Toch is er volgens onderzoeksbureau VDMMP een verschil tussen sociale media onrust en maatschappelijke onrust. Zij maken dat onderscheid naar aanleiding van het onderzoek Sociale media: factor van invloed op onrustsituaties? in opdracht van Politie & Wetenschap.

Het onderscheid dat VDMMP maakt is interessant. Het “onrust”- deel uit zich in beide gevallen op dezelfde manier: veel vragen, geruchten en reacties. Maar bij sociale media onrust kan het zijn dat de maatschappelijke onrust feitelijk meevalt en de reuring vooral op de sociale netwerken plaatsvindt. Natuurlijk kunnen ze ook samengaan, maar sociale media onrust als een op zichzelf staand fenomeen brengt een aantal hele eigen uitdagingen met zich mee.

Juiste en onjuiste informatie verspreidt razendsnel

Iedereen kan zich de zaak met de verdwenen jongetjes herinneren of anders toch de zaak van de vier tieners die een meisje het ziekenhuis insloegen. Op de verschillende sociale netwerken werden algauw tal van berichten gedeeld over beide zaken: soms met juiste en soms met onjuiste informatie. En anders dan offline was het hier ook mogelijk om in de zaak van de vier tieners foto’s van de verdachten (want nog niet veroordeeld, remember) te verspreiden met daarbij zelfs de oproep om hen wat aan te doen. Informatie die razendsnel de ronde deed en vaak niet geverifieerd was.

De politie kan  – en moet volgens VDMMP –  in dit soort zaken samen met partners en belangrijke beïnvloeders (pers, ketenpartners, maar ook bijvoorbeeld bekende Nederlanders of andere influencers) de regie-rol naar zichzelf toetrekken.

Zeven zaken geanalyseerd

VDMMP analyseert in het 160-pagina’s tellende onderzoek een zevental “incidenten”, hun impact in de “echte wereld” en die op het social web. Daarnaast analyseren zij de reactie en handelswijze van de politie zelf – (zowel on- als offline) en geven zij aanbevelingen. Elk incident wordt apart van aanbevelingen voorzien uiteindelijk volgen ook nog algemene aanbevelingen.

De analyses van de verschillende incidenten lezen weg als een spannend boek, maar geven je ook een kijkje in de wereld van de politie en de uitdagingen waarmee zij aan verschillende kanten als apparaat, als organisatie, als partner en als maatschappelijke speler, mee te maken hebben. En dat alles in een tijd waarin de burger soms sneller met het brengen van het nieuws is, dan dat het zich ontwikkelt.

Aanbevelingen

Het gehele rapport kun je hier lezen(pdf), maar de belangrijkste aanbevelingen staan hieronder, al zijn deze voor iedereen die zich al wat langer met sociale media bezighoudt natuurlijk voor de hand liggend.

De politie moet in elk geval (meer/beter):

Luisteren: ze moeten leren hoe ze moeten monitoren en hoe ze de daaruit verkregen data kunnen analyseren en gebruiken.

Produceren: de politie is gewend om pas feitelijke informatie vrij te geven wanneer bewezen/zeker is dat die informatie klopt. Maar in deze sociald media-tijd is dat niet altijd handig: burgers trekken hun eigen conclusies, zijn soms zelf getuige van een incident of speculeren bij gebrek aan feitelijke informatie. De politie zal de lacunes meer moeten gaan invullen en anders met dergelijke communicatie om moeten gaan.

Reageren: VDMMP benoemt hier een tendens van persvoorlichting naar publiekscommunicatie. Het verschil is dat er nu niet langer alleen moet worden geïnformeerd, maar in toenemende mate moet worden gereageerd. De politie is gewend dat de media de brengers zijn van hun boodschap: zij praten met de pers (of de persvoorlichter doet dat) en de pers brengt het bij de burger. Maar tegenwoordig is natuurlijk iedereen potentieel nieuwsmaker en heeft iedereen een podium. De politie heeft niet langer een beperkte groep die zij moeten informeren, maar moet de taak op zich nemen om het publiek als geheel te informeren.

Interacteren: de politie moet meer de samenwerking opzoeken met burgers en andere partijen. Als voorbeeld noemt het rapport het gebruik van bijvoorbeeld persfoto’s ten behoeve van de opsporing.

Als laatste benadrukt VDMMP dat om dit alles uit te voeren een uitbreiding nodig is van de capaciteit zodat er eerder en sneller kan worden gereageerd op gebeurtenissen in de offline wereld met impact online. Voor de politie dus geen sociale media-stagiaire en dat lijkt me (niet alleen voor bij de politie) meer dan terecht.

Bronnen: ANP, PolitieEnWetenschap, VDMMP


Geschreven door