Als ik niet verbonden ben met het internet, voel ik me behoorlijk onbeholpen. Kan ik dan echt niet zonder? Ben ik verslááfd?

Volgens Wikipedia betekent internetverslaving ‘problematisch veel internetgebruik, dat niet langer voortkomt uit noodzaak, maar vanuit een innerlijke drang. Het is een chronisch, acuut en sociaal probleem.’

Informatiehonger

De symptomen klinken mij herkenbaar in de oren. Ik heb voortdurend een innerlijke drang om informatie op te zoeken. Of ik nu wil weten wat het weer morgen is, hoe laat mijn trein vertrekt of welke fietsenmaker het dichtstbij is. De hele dag door gebruik ik het internet om mijn informatiebehoeften te bevredigen. Lukt dat niet direct, dan word ik ongeduldig. Haastig probeer ik verschillende zoektermen uit, scan ik webpagina’s en klik ik als een malle, totdat ik heb gevonden waar ik naar zocht. Ik lijd aan informatiehonger.

Informatiehonger is natuurlijk niet nieuw. Sinds de grijze oudheid verzamelde men al kennis, al was het toen vooral een bezigheid van de elite. Door de uitvinding van de boekdrukkunst in 1445 heeft de verspreiding van kennis een ongekende vlucht genomen. Kennis werd toen wereldwijd toegankelijk voor alle lagen van de bevolking.

Tegenwoordig geeft het internet ons toegang tot álle informatie. Dat is niet alleen gaaf, het is vooral ook praktisch. En het blijkt dus ook verslavend. Vroeger waren we in staat een week te wachten op een nieuwe aflevering van een tv-serie. Tegenwoordig doen we aan binge-watching. Om onze informatiehonger te stillen, slokken we zoveel mogelijk afleveringen in één keer op. Niet dat het daarna over is met onze honger. Integendeel. We willen meer! Is de serie afgelopen, dan beginnen we gewoon aan een nieuwe.

Afleidingstechnologie

Technologie verandert ons gedrag zonder dat we ons hier van bewust zijn. De vluchtigheid van het internet leidt ons af. Nicholas Carr heeft het in zijn boek Het ondiepe over afleidingstechnologie. Piepjes, belletjes, rinkeltjes, trillingen, pop-ups, advertenties, buttons of een simpele hyperlink. Het verleidt ons er direct op in te gaan en leidt ons weg van wat we deden. Niet alleen onze concentratie vermindert hierdoor, de verbindingen in onze hersenen veranderen ook: die worden namelijk korter.

Neurowetenschapper Manfred Spitzer beweert zelfs dat het internet ons dom maakt. We gebruiken het internet als een externe geheugenschijf en zijn daardoor steeds minder in staat zelf dingen te onthouden. Wat gebeurt er met ons als we geen eigen geheugen meer hebben? De kennis die we hebben – ons geheugen, onze herinneringen – maken wie wij zijn. Als we niets meer weten en niks meer kunnen onthouden, worden we arm van geest. En wat gebeurt er als we geen handschrift meer hebben? Kunnen we dan echt niet meer helder denken, zoals schrijver Ilja Leonard Pfeijffer betoogt?

Kakofonie van prikkels

Met elk piepje of bliepje ben ik afgeleid en voel ik de drang direct te reageren. Ik raak voortdurend de focus kwijt. Dwaal ik met mijn gedachten tijdens het werken af – bijvoorbeeld naar het weer van morgen – dan zoek ik gelijk het antwoord. Zo ben ik de hele dag bezig met het bevredigen van kleine informatiebehoeften. Het gevolg is dat ik langer over mijn werk doe.

Gelukkig ben ik mij hiervan bewust. Ik zet push-meldingen uit, mijn telefoon op ‘niet storen’ en tijdens mijn werk dwing ik mezelf te focussen. Dat is voor mij als volwassene makkelijker dan voor een kind. Waar de neurale circuits bij volwassenen al zijn aangelegd, zijn die bij kinderen nog in ontwikkeling. Volwassenen gebruiken het internet als gereedschap, maar kinderen zijn er al mee vergroeid.

Internet, wat doe je met ons?

Het internet is een eerste levensbehoefte door de manier waarop het onze hersenen programmeert. Het gebruik maakt ons afhankelijk. Dat gebeurt zonder dat we er erg in hebben, in het geniep. Ik waarschuw mijn kinderen voor overmatig internetgebruik en leg ze uit waarom het goed is die telefoon af en toe weg te leggen. Ze weten nou wel dat het kijken op een klein schermpje slecht is voor hun ogen, dat het licht van de telefoon hun nachtrust verstoort en dat bliepjes en piepjes hen afleiden van hun huiswerk.

Als ik een opmerking maak over hun telefoongebruik – Leg die telefoon eens weg! – spiegelen ze hun gedrag aan het mijne. Jij zit anders ook de hele tijd op je telefoon! Ze hebben gelijk. Vaker dan nodig is gebruik ik mijn telefoon om een informatiebehoefte te bevredigen. Het is geen noodzaak voor elk wisje wasje Google te raadplegen, maar toch ervaar ik een innerlijke drang het wel te doen. Ik ben verslaafd aan het internet. En dan moet ik mijn kinderen uitleggen dat overmatig internetgebruik niet goed voor ze is? Dat is verdomd moeilijk.


6.529 keer gelezen Geschreven door en