Webteksten moeten heel erg begrijpelijk zijn. Want de lezer moet direct vatten waar het om gaat en moet ook meteen gemotiveerd worden om verder te lezen en dat te blijven doen. Een feest voor elke lezer zou je denken. Maar niet voor de leerling die op school en bij zijn huiswerk met die online teksten soms helemaal niet uit de voeten kan.

Begrijpend lezen

Kinderen leren op school lezen. Ze starten met het leren van letters, klanken en woorden; dat is technisch lezen. Daarna wordt het menens want de volgende fase begint: het begrijpen van wat je leest. Vanaf groep 4 in de basisschool krijgen kinderen daarom jarenlang les in begrijpend lezen. Dat gebeurt met leesmethodes. In Nederland zijn dat voor een groot deel methodes die een heel jaarprogramma al vooraf ingevuld hebben en die leerlingen  laten oefenen met verschillende soorten teksten.  Maar, webteksten zitten daar niet bij.

Online tekstbegrip

Is dat een probleem? Jeroen Clemens, leraar Nederlands, doet onderzoek naar het lezen van online teksten door scholieren. Hij is begonnen met op een rijtje te zetten wat er al bekend is over online tekstbegrip. Ten eerste stelt hij vast dat veel leerlingen moeite hebben met het vinden en beoordelen van online informatie. Dat jongeren digital natives zijn is een mythe. Dat ze hun digitale vaardigheden met de paplepel ingegoten gekregen hebben en de digitale wereld als hun broekzak kennen is niet zo. Ten tweede ondervinden veel leerlingen problemen met online tekstbegrip, dus het begrijpen van webteksten. In 2009 stelde een PISA onderzoek dit vast (Students On Line: Digital Technologies and Performance ) en in 2011 deed een groot onderzoek in de VS hetzelfde: The Online Reading Comprehension Assessment Project .

Online teksten zijn anders

Hoe komt dat nu? Die webteksten zijn toch juist heel goed geschreven? Hm, afgezien van het feit dat natuurlijk niet alle webteksten goed geschreven zijn, zijn dit soort teksten vooral anders. Ze hebben bijvoorbeeld een ander soort inleiding (vallen met de deur in huis), zijn soms multimediaal en bevatten hyperlinks. Door die recht-voor-zijn-raap-inleiding moet een lezer meteen een beroep doen op heel veel kennis van de wereld, traditionele teksten nemen de lezer meer bij de hand. Hyperlinks in de tekst, daar moet je iets mee doen, maar wat? Moet je ze volgen? Wat is de relatie met de tekst die je net aan het lezen bent? Moet je ze misschien maar niet volgen omdat je anders de draad kwijt raakt? Maar ze staan er toch niet voor niks? En ook het doorspekt zijn van teksten met filmpjes en andere media kan een leerling opbreken. Misschien is dit moeilijk voor te stellen voor de dagelijkse webgebruiker, maar alles moet je leren en dit ook. Het bestaande leesonderwijs schiet hier tekort, want het genoemde PISA-onderzoek liet onder andere zien dat leerlingen die offline teksten goed kunnen verwerken, dat niet per se ook kunnen met online teksten.

Trouwen

Het is duidelijk dat scholen meer aandacht moeten besteden aan online tekstbegrip dan tot nu toe gebeurt. Want hoe ouder leerlingen zijn, hoe vaker ze de opdracht krijgen om informatie via internet op te zoeken. Wordt dat een zaak van de leraar Nederlands? Dat ligt misschien niet zo voor de hand. Het zijn juist veel andere vakken waarbij van leerlingen wordt verwacht dat ze online informatie lezen. Samenwerken tussen de verschillende vaksecties dus. Die zullen in hun lessen  bijvoorbeeld online informatiebronnen moeten aanbieden en samen met de leerlingen nagaan hoe je het lezen van zo n tekst aanpakt. Hardop denkend voorlezen  (‘modeling’) door de docent en dit daarna door leerlingen laten overnemen (rolwisselend onderwijzen) zijn daarbij goede technieken. Wil je meer weten over online tekstbegrip of wil je, als leraar Nederlands, meedoen aan het onderzoek van Jeroen Clemens? Lees dan op zijn webblog zijn betoog dat Nederlands en mediawijsheid moeten trouwen.


Geschreven door